Schijnzelfstandigheid: een situatie waarin iemand formeel als zelfstandige werkt, maar feitelijk voldoet aan de kenmerken van een normale werknemer onder contract. Dit onderscheid moet voor iedereen duidelijk zijn; werknemers genieten bescherming op grond van het arbeidsrecht en zijn verzekerd voor sociale zekerheid. Denk hierbij aan recht op ontslagbescherming (Art. 7:669 BW) en loondoorbetaling bij ziekte (Art. 7:629 BW). Zelfstandigen hebben deze bescherming in beginsel niet. In de praktijk zien we bij zzp’ers veelal een onjuiste kwalificatie van dergelijke arbeidsrelaties, het verrichten van kernwerkzaamheden en een aansturing alsof zij werknemer zijn. Bij deze schijnzelfstandigheid ontbreekt dus wel de bescherming van het arbeidsrecht maar bestaat feitelijk weinig vrijheid. Zijn zzp’ers nu nog wel zzp’ers te noemen?
In het arrest Deliveroo (ECLI:NL:HR:2023:443) stond de vraag centraal of de bezorgers die voor het bedrijf werkten werkelijk als zelfstandigen werkten, zoals de contracten luidden, of dat in de praktijk sprake was van een arbeidsovereenkomst. Deze contractuele kwalificatie staat dus in samenhang met de vraag of de kwetsbare bezorgers toegang krijgen tot fundamentele arbeidsrechtelijke bescherming. De Hoge Raad benadrukte bij dit arrest dat alle omstandigheden van het geval moeten worden meegewogen. Daarbij speelt bijvoorbeeld de mate van vestiging in het bedrijf een rol, maar ook de vrijheid bij de uitvoering van het werk en de aanwezigheid van het ondernemerschap. Hier is dus niet het contractuele label maar de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden de beslissende factor of deze arbeidsrechten door ‘de werkgever’ moeten worden nageleefd.
Steeds meer bedrijven maken gebruik van dergelijke contractuele constructies die lijken op zelfstandigheid, enkel omdat dit voor de werkgever financieel en organisatorisch aantrekkelijk lijkt. De opdrachtgever hoeft geen loonbelasting, premies en werknemersverzekeringen af te dragen. Ook draagt een zelfstandige het risico op ziekte zelf. Daarnaast heeft een bedrijf veel lagere loonkosten aan een zzp’er dan een werknemer. Dergelijke constructies komen hierom ook in de praktijk steeds vaker voor.
Voor de ‘zzp’er’ is het echter een bijzonder suboptimale positie, bij schijnzelfstandigheid is sprake van inkomensonzekerheid. Staat er in het contract dat de opdrachtgever de overeenkomst per direct kan beëindigen, dan kan de zzp’er van de ene op de andere dag zonder inkomen komen te zitten. Hetzelfde geldt voor ziekte: Als de zzp’er geen arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft afgesloten en langdurig ziek wordt, is er geen recht op loondoorbetaling en geen toegang tot werknemersverzekeringen zoals de WIA (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen).
Het wetsvoorstel Verduidelijking Beoordeling Arbeidsrelaties en Rechtsvermoeden (VBAR), dat in 2026 bij de Tweede Kamer in behandeling is, beoogt meer duidelijkheid aan zulke contractuele brouwsels te geven. Er wordt een toets ingeschakeld en een rechtsvermoeden bij een uurtarief onder €36,-. Wordt onder dit tarief gewerkt, dan wordt vermoed sprake te zijn van een arbeidsovereenkomst, tenzij de opdrachtgever het tegendeel bewijst. Ook controleert de Belastingdienst weer actief en zijn er sinds 1 januari 2026 vergrijpboetes opgelegd bij opzet of grove schuld bij het onjuist kwalificeren van een arbeidsrelatie
Schijnzelfstandigheid blijft echter lastig te controleren. Het is de zoveelste truc van de werkgever om onder zijn arbeidsrechtelijke plichten uit te komen. De kern blijft dat de feitelijke uitvoering van het werk doorslaggevend is. Alleen wanneer praktijk en contract met elkaar in overeenstemming zijn, kan duidelijk worden vastgesteld of iemand werkelijk zelfstandig ondernemer is, of werknemer met recht op bescherming.
Bronnen
https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:HR:2023:443